Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • Gentse biotech bewandelt nieuwe paden met biogebaseerde innovaties
Gentse biotech bewandelt nieuwe paden met biogebaseerde innovaties
  • 04/04/2019

Gentse biotech bewandelt nieuwe paden met biogebaseerde innovaties

De Gentse biotech heeft de voorbije jaren een stevige metamorfose ondergaan. Lag de focus jarenlang vooral op medische en farmaceutische innovatie, dan komen ook biogebaseerde – en dus duurzame - stoffen en producten anno 2019 steeds nadrukkelijker aan het venster loeren. “

Bio Base Europe

Tekst Filip Michiels – foto Wim Kempenaers

 

Het uitzicht op de Gentse skyline is er fantastisch, en honderden grijze bakken met groene tarweplanten staan er netjes in rijen opgesteld. Nergens wordt de koerswijziging van de Vlaamse biotechnologie tastbaarder dan hier, in een zeshonderd vierkante meter grote serre op het dak van de Gentse Bio-Accelerator. “We bootsen hier in het Technologiepark de meest uiteenlopende veldomstandigheden na, in onze zoektocht naar micro-organismen die een gunstig effect hebben op de groei van tarwe,” vertelt Isabel Vercauteren. “In de zomermaanden doen we hetzelfde met maïsplanten.” 

Vercauteren werkte jarenlang voor Bayer, maar ruim anderhalf jaar geleden zette ze mee de schouders onder Aphea.Bio, een spin-off van de Gentse en Leuvense universiteit onder de koepel van het VIB. Het biotechnologiebedrijf focust op de ontwikkeling van groene landbouwproducten, en is in die zin ook behoorlijk representatief voor de nieuwe generatie Gentse biotechpioniers. Nadat de Arteveldestad de voorbije decennia wereldfaam verwierf met een hele rist innovatieve bedrijven in de medische en farmaceutische sector (zie ook artikel op p. 12), lijkt de focus in de sector nu stilaan te verschuiven naar de biogebaseerde economie. Een groeiniche met toepassingen in heel uiteenlopende sectoren, waarbij duurzame productie en de strijd tegen de klimaatopwarming centraal staan. “Onderzoek naar biologische landbouwproducten is op zich niet zo nieuw, maar tot voor kort ontbrak het ons vaak nog aan de juiste technische tools en expertise om daar echt essentiële stappen in te kunnen zetten”, legt Vercauteren uit. “Een concreet voorbeeld daarvan is de zogenaamde sequenering van DNA, waardoor we onder meer de letteropeenvolging van het DNA kunnen bepalen. Die technologie wordt steeds betaalbaarder en is dus ook een stuk toegankelijker geworden voor start-ups zoals wij. Ze laat ons toe om de unieke DNA-code van alle mogelijk micro-organismen relatief eenvoudig te definiëren.” 

Bacteriën en schimmels als vriendjes

Aphea Bio
Isabel Vercauteren, medeoprichter Aphea.Bio

Minstens even belangrijk in het ontstaan van een nieuwe generatie biotechbedrijven is de toenemende maatschappelijke druk om producten en stoffen te ontwikkelen met een zo klein mogelijke chemische impact en CO2-uitstoot. “Specifiek in onze sector vertaalt dit zich in een almaar striktere regelgeving voor landbouwers rond het gebruik van klassieke meststoffen en chemische bestrijdingsmiddelen. Daar zagen wij dus een gat in de markt: bij Aphea.Bio doen we onderzoek naar volledig biologische alternatieven voor die bestrijdingsmiddelen en meststoffen. Die piste is op zich ook niet nieuw, maar de onderzoekspijplijn die wij hier nu hebben opgebouwd, maakt ons wél uniek. Wij focussen ons immers op het gebruik van levende micro-organismen – bacteriën en schimmels - die van nature uit al aanwezig zijn in de bodem of in de planten zelf. Wij maken daarvan een soort biologische identiteitskaart, en gaan dan op zoek naar die specifieke organismen waarvan we vermoeden dat ze een gunstige impact kunnen hebben op de planten. Als groeibevorderaar of als gewasbeschermer. Blijkt dit inderdaad het geval, dan gaan we die organismen eerst isoleren, waarna we ze in een veel hogere concentratie opnieuw bij de plant brengen tijdens de groei.” Vandaag focust Aphea.Bio zich nog uitsluitend op tarwe en maïs, maar als de technologie succesvol blijkt, is ze in de strijd tegen insecten of ziektes in theorie op zowat elk gewas toepasbaar. Het bedrijf groeit als kool, en telt vandaag al negentien medewerkers.

Gentse pilootfabriek

Wim Soetaert, hoogleraar industriële biotechnologie aan de UGent én CEO van de Bio Base Europe Pilot Plant in Gent, stelt de zaken graag even op scherp. “De biogebaseerde economie is vandaag in het Gentse qua omzet en tewerkstelling bijna even groot als de sector van de medische biotechnologie”, klinkt het resoluut. “Al moet ik daar wel aan toevoegen dat die economie ook een stuk breder gaat dan de pure biotechbedrijven.” 

Vanuit de overtuiging dat die biogebaseerde economie een reusachtig potentieel had, richtte Soetaert al in 2005 Bio Base Europe Pilot Plant op. Dat bedrijf telt intussen 75 werknemers en heeft – in samenwerking met zowel publieke overheden als wereldwijde bedrijven – al honderden duurzame projecten gerealiseerd. Het zet daarbij uitsluitend in op innovatieve biogebaseerde processen, waarbij fossiele grondstoffen vervangen worden door hernieuwbare biomassa. En het schaalt innovatieve technologieën op tot een industrieel niveau. “Het klinkt misschien wat onbescheiden, maar de hele wereld komt daarvoor naar Gent”, geeft Soetaert aan. “Wij zijn hiermee uniek in de wereld en groeien nu dertig procent per jaar.” 
Soetaert verkondigt al jarenlang dat de biogebaseerde economie kan uitgroeien tot een belangrijke industriële groeipool. De naakte cijfers én de toenemende maatschappelijke druk om in de meest uiteenlopende sectoren almaar zwaarder in te zetten op duurzame productieprocessen lijken hem vandaag stilaan gelijk te geven. “Lange tijd vormden de biobrandstoffen dé drijvende kracht achter die nieuwe economie”, blikt hij terug. Europa legde ons immers doelstellingen op voor de invoering van biobrandstoffen zoals bio-ethanol en biodiesel. Vijftien jaar geleden zijn we erin geslaagd om het leeuwendeel van de productie daarvan naar Gent te halen. Of je nu met benzine of diesel rijdt, tien procent van de brandstof in je tank is vandaag biobrandstof. Afkomstig van onder meer maïs, koolzaad of tarwe. Die brandstoffen zijn afkomstig van de biobrandstoffencluster in de Gentse haven, dat goed is voor een jaaromzet van ruim 500 miljoen euro. En geloof me vrij: mocht Europa ons vandaag niet verplichten om tien procent biobrandstof in onze tank te kappen, dan zou het Belgische CO2-rapport nog een stuk rampzaliger ogen dan nu al het geval is. Als het van de klassieke oliebedrijven zou afhangen, zouden we immers helemaal geen biobrandstoffen gebruiken. Zij lobbyen al jarenlang bij de overheid om het aandeel biobrandstoffen niet verder te verhogen.”

Bioafbreekbare plastics en biodetergenten

Is de technologie voor de productie van biobrandstoffen de voorbije vijftien jaar niet wezenlijk veranderd, dan liggen de kaarten heel anders voor de recente ontwikkelingen in de bredere biogebaseerde economie. En net daarin speelt de biotechnologie een cruciale rol. “De technologische vooruitgang in de sector ging de voorbije jaren min of meer hand in hand met de maatschappelijke trend om duurzamer te gaan produceren én de druk om de CO2-uitstoot te verminderen”, zegt Soetaert. “Dit vertaalt zich bijvoorbeeld in de ontwikkeling van bioafbreekbare plastics, tientallen verschillende soorten plastic die niet langer uit petroleum maar op basis van biomassa geproduceerd worden. Ook de ontwikkeling van biodetergenten is daar een mooi voorbeeld van. Het gaat immers om een natuurlijk alternatief voor de petroleum-gebaseerde detergenten die je terugvindt in honderden producten: van zepen over cosmetica tot voeding. Met andere woorden: een gigantische markt, en voor de productie daarvan wij gebruiken wij hier nu microben in plaats van petroleum. Daardoor verminderen we niet enkel de CO2-uitstoot, die biologische detergenten zijn uiteraard ook veel vriendelijker voor het milieu omdat ze volledig afbreekbaar zijn als ze achteraf in onze oppervlaktewateren belanden. Ooit hebben wij hier de eerste biologische detergenten ontwikkeld voor Ecover, vandaag zien we dat ook de grote jongens zoals Unilever of P&G stilaan overstag gaan. Voornamelijk onder druk van de consument. Het probleem is dat dit soort fundamentele veranderingen, zeker als je de grote industrie moet meekrijgen, extreem moeilijk is en heel veel tijd vraagt.”
Het potentieel van die nieuwe biogebaseerde economie – en dus ook van de innovatieve biotechspelers die daarvan een graantje proberen mee te pikken – kan vandaag nog amper overschat worden. En de verwachting dat de Gentse regio daarin een heel belangrijke rol zou kunnen gaan spelen, hebben we te danken aan twee factoren. In eerste instantie de aanwezigheid van heel wat expertise op vlak van biotechnologie en daarnaast – wellicht nog belangrijker – de aanwezigheid van de belangrijke biobrandstoffencluster in de Gentse haven. Wim Soetaert: “Vergelijk het met Antwerpen, waar de brede petrochemie zich ontwikkeld heeft op basis van de gigantische petroleumcluster daar. Hier in Gent speelde die petrochemie amper mee, en dat keert zich nu in ons voordeel. De gevestigde belangen stonden de technologische vernieuwing hier veel minder in de weg, en vandaag zien we stilaan een triggereffect ontstaan. Er staan nu overigens ook een aantal interessante investeringsprojecten op stapel in de Gentse haven waarover ik vandaag nog niet veel meer kwijt kan. Tegelijk moeten we realistisch zijn: niet elk pilootproject dat hier uitgetest wordt, zal finaal ook resulteren in de bouw van een nieuwe fabriek in Gent. Daarvoor is Vlaanderen helaas iets te klein, en bedrijven laten zich natuurlijk ook niet dwingen.”

Bio Base Europe
Wim Soetaert, hoogleraar industriële biotechnologie UGent en CEO van de Bio Base Europe Pilot Plant in Gent:  “In plaats van petroleum, aardgas of fossiele grondstoffen te gebruiken, doen we in de biogebaseerde economie een beroep op allerlei hernieuwbare biomassagrondstoffen. Zowel voor de opwekking van energie als voor de productie van chemische stoffen of allerlei materialen. De biogebaseerde economie is eigenlijk hét voorbeeld van een industrieel circulair model, en biotechnologie speelt daarin een belangrijke rol. Tegelijk is ook de zogenaamde groene chemie hierin een niet onbelangrijke factor: een Gents bedrijf als Oleon bijvoorbeeld maakt geen gebruik van biotechnologie, maar zet plantaardige oliën met behulp van chemische processen om naar zogenaamde oleochemicaliën.”

Bloeiende toekomst

Aphea BioWerd biotechnologie jarenlang hoofdzakelijk geassocieerd met de medische en farmaceutische sector, dan zou daar de komende jaren dus verandering in kunnen komen. “Al moeten we natuurlijk ook realistisch zijn”, blijft Isabel Vercauteren met beide voetjes op de grond. “Hier in het Technologiepark maken de medisch georiënteerde start-ups nog altijd de meerderheid uit, maar de strengere regelgeving en de druk van de consument duwen steeds meer bedrijven in de richting van biologisch afbreekbare producten. In de landbouw, waarin wij actief zijn, maar ook in tal van andere sectoren. Alleen zullen we er – zeker in de niche waarin wij actief zijn – dan wel over moeten waken voldoende geloofwaardig uit de hoek te komen. Jaren geleden werd er ook al geëxperimenteerd met biologische meststoffen of bestrijdingsmiddelen en die bleken toen niet voldoende effectief te zijn. Sommige landbouwers staan dus nog altijd wantrouwig tegenover deze biologische alternatieven. Ook de regelgeving, die hier in Europa een stuk strenger is dan in de VS, speelt voorlopig niet bepaald in ons voordeel.” Aphea.Bio zit momenteel nog volop in de onderzoeksfase, maar eind vorig jaar mocht het bedrijf wel al een belangrijke onderzoeksovereenkomst aankondigen met Eurochem, een grote meststoffenproducent. “Zij zijn zelf bij ons komen aankloppen, net omdat ze beseffen dat ze vroeg of laat een stevige koerswijziging zullen moeten inzetten. Wat wij hier nu doen, is een combinatie van onderzoek en vroege ontwikkeling, waarbij we de meest veelbelovende micro-organismen ook al in echte veldcondities uittesten. Toch zal het nog zeker vier tot vijf jaar duren alvorens we daarmee ook echt de markt op kunnen”, weet Isabel Vercauteren. “Maar omdat wij hier werken met een generiek onderzoeksplatform op basis van een staalname en een volledige bio-informatica-analyse ligt de weg op termijn wel open naar partnerships met heel wat bedrijven. Los van het onderzoekswerk dat we nu verrichten rond tarwe en maïs.” 

Meer investeerders verleiden

Ook zij kan het niet voldoende benadrukken: het feit dat haar bedrijf vanuit het Gentse Technologiepark - de grootste biotechcluster van West-Europa - opereert, biedt ook een aantal competitieve voordelen. “Met rechtstreekse buren zoals BASF of Syngenta moeten we bij wijze van spreken maar de straat oversteken om over eventuele samenwerkingen te praten. In die zin maken we hier deel uit van een soort zelfbestuivend ecosysteem van biotechbedrijven, en ook onze link met het wereldvermaarde VIB opent ongetwijfeld een aantal deuren naar investeerders toe. Wij rekruteren heel internationaal, en ook daarvoor is Gent echt wel een keurmerk in deze sector.” Met een globale tewerkstelling van zowat 3.000 mensen is de biogebaseerde economie vandaag al een van de grootste groeipolen in het Gentse, maar Vercauteren ziet nog flink wat meer potentieel. “De kritische massa mag hier zeker nog een stukje groter worden, en dan merk ik toch dat de klassieke medisch en famaceutisch georiënteerde biotechnologie het nog altijd veel gemakkelijker heeft om nieuwe investeringen aan te trekken. Hoe je het ook draait of keert: dat blijft een sector die vlotter verkoopt. Wij hebben in een eerste kapitaalronde ruim 7 miljoen euro opgehaald, in verhouding tot de bedragen die bij medische start-ups circuleren, blijft dat toch peanuts. Meer investeerders aantrekken, zowel uit Vlaanderen zelf als internationaal, blijft vandaag dan ook mijn voornaamste bekommernis. We lopen over van de ideeën, maar om sneller te groeien hebben we natuurlijk ook centen nodig.” 

Wim Soetaert is het daar volmondig mee eens. “Je moet een kat een kat durven te noemen,” vindt hij. “De sterke opkomst van de biogebaseerde brandstoffen heeft de Gentse haven een enorme boost gegeven. Het is uiteraard lastig om het potentieel van alle biogebaseerde producten op wat langere termijn in concrete cijfers te vatten, maar ik schat dat de sector hier vandaag nog maar op tien procent van zijn potentieel zit. Je ziet dat overigens ook op wereldniveau: amper tien procent van de wereldwijde chemische productie is vandaag al biogebaseerd. Ik ga ervan uit dat dit aandeel tegen 2050 zal opgelopen zijn tot vijftig procent. Pas dan zal de de sector ook volwassen zijn, en geloof me vrij: de Gentse regio kan een stevig deel van die koek voor zijn rekening nemen. We zijn nog iets minder zichtbaar en iets minder sexy dan de farmaceutische biotechnologie, dat klopt, maar de groeimarge is nog heel groot.” 

Wij hebben in een eerste kapitaalronde ruim 7 miljoen euro opgehaald. Peanuts in verhouding tot de bedragen die bij medische start-ups circuleren

Qua omzet en tewerkstelling is de volledige biogebaseerde economie hier vandaag nu al even belangrijk als de farmaceutische biotechnologie

Deloitte
ING
Logo Mensura
Proximus
SD Worx
BovaEnviro+
GutzandGlory
G4S
Soundfield
Jobat Media