Skip to main content
  • Home
  • Nieuws
  • COLUMN - Gezonde arbeidsmarktambitie of loze beloftes?
Bart Van Craeynest
  • 13/09/2019

COLUMN - Gezonde arbeidsmarktambitie of loze beloftes?

Uitstekend nieuws deze week: nadat eerder al de Vlaamse onderhandelaars de ambitie uitspraken om de werkzaamheidsgraad op te drijven met 5 procent, gaat ook de nieuwe Waalse regering de komende vijf jaar voor die doelstelling. De redenering daarachter is eenvoudig: meer mensen aan het werk betekent meer economische activiteit, meer welvaart, meer inkomsten voor de overheid, minder uitgaven voor uitkeringen en minder armoede. Fantastische doelstellingen dus, maar makkelijker gezegd dan gedaan. Dat schrijft Bart Van Craeynest, hoofdeconoom van Voka.

In de periode 2014-2018 steeg de werkzaamheidsgraad in Vlaanderen met 2,7% en in Wallonië met 1,9%. Dat gebeurde tegen de achtergrond van een vrij gunstig economisch klimaat. De gemiddelde economische groei in heel België kwam in die periode uit op 1,6% per jaar. Op basis van de jongste vooruitzichten ziet het er naar uit dat het gemiddelde groeitempo in de komende legislatuur eerder rond 1% zal liggen. Tegen die moeilijkere achtergrond wordt de duidelijk snellere stijging van de werkgelegenheid waar de Vlaamse en Waalse regeringen op mikken op z’n zachtst gezegd niet evident. 

Succes begint met ambitie, maar zonder concrete inspanningen blijft het onvermijdelijk bij loze belofStijging met 5 procenttes. Een fors hogere werkzaamheidsgraad moet zeker kunnen. Vandaag hangt Vlaanderen met bijna 75% van de 20- tot 64-jarigen aan het werk in de Europese middenmoot, terwijl Wallonië met bijna 64% achteraan bengelt. Duitsland toonde in het verleden al wat er op dat vlak mogelijk is. Begin jaren 2000 lag de werkzaamheidsgraad er op 68%. Met de Hartz-hervormingen, een verregaande hertekening van de arbeidsmarkt, en geholpen door een stevige conjunctuur spurtte die werkzaamheidsgraad tussen 2004 en 2009 een dikke 6 procentpunt hoger. Wij moeten de komende jaren niet hopen op zo’n gunstige conjunctuur, maar niets houdt onze beleidsmakers tegen om maatregelen, die de arbeidsmarkt beter doen draaien, uit te werken. Een stijging van de werkzaamheidsgraad met 5 procentpunt is zowel voor Vlaanderen als Wallonië uitermate ambitieus. Het zit er dik in dat dat in moeilijke economische omstandigheden niet lukt op vijf jaar tijd. Maar zonder ernstige structurele hervormingen zal het met absolute zekerheid niet lukken. 

Zowel Vlaanderen als Wallonië kunnen best zo snel mogelijk werk maken van een beter functionerende arbeidsmarkt. Ze vertrekken daarbij wel van een verschillend startpunt. Problemen op de arbeidsmarkt kunnen vraaggedreven zijn, ‘er zijn te weinig jobs’, of aanbodgedreven, ‘er zijn te weinig mensen die willen werken’. In Vlaanderen kampen ondernemingen vandaag vooral met het probleem dat ze hun vacatures niet ingevuld krijgen. Minder dan 2,5% van de Vlaamse 20- tot 64-jarigen is werkzoekend, bij de laagste van Europa. Anderzijds is 23% van die 20- tot 64-jarigen niet actief en evenmin op zoek naar werk. Vlaanderen wordt vooral geconfronteerd met problemen aan de aanbodkant van de arbeidsmarkt. In Wallonië liggen de cijfers voor werkzoekenden en niet-actieven op respectievelijk 6% en 30%. Op de Waalse arbeidsmarkt is er zowel een aanbod- als een vraagprobleem. Dat verschil impliceert dat er voor elke regio een specifieke beleidsaanpak aangewezen is. 

Zelfs als alle Vlaamse werkzoekenden aan het werk raken, een onrealistische piste, dan nog zou Vlaanderen maar halverwege haar ambitie raken. Het Vlaamse beleid moet zich vooral richten op de aanbodkant om mensen aan te zetten om zich aan te bieden op de arbeidsmarkt. Dat moet enerzijds veel meer inzetten op opleiding en levenslang leren, en anderzijds op allerlei maatregelen om werken interessanter te maken dan niet-werken. Dat laatste kan via aan Jobstimulans voor de laagste lonen zodat die netto meer overhouden, het verder inperken van de mogelijkheden van vervroegde uittreding, het rationaliseren van gelijkgestelde periodes waarbij niet-werken evenveel toekomstige rechten oplevert als werken, meer mogelijkheden van kinderopvang voor werkende ouders, flexibelere mogelijkheden om uitkeringen en werken te combineren en het meer richten van de verschillende uitkeringen naar activering. Om dat allemaal in goede banen te leiden, is er ook nood aan een centrale regisseur op de arbeidsmarkt die de aanpak voor alle groepen niet-actieven coördineert. 

Op de Waalse arbeidsmarkt zijn naast bovenstaande ingrepen ook maatregelen aan de vraagkant nodig. Daarbij moet het beleid vooral focussen op de arbeidskost. Dat kan via lastenverlaging, hoewel de middelen daarvoor beperkt zijn. Daarom kan beter gemikt worden op een meer gedifferentieerde loonvorming. Puur economisch is het onzinnig dat twee regio’s met een zeer verschillende arbeidsmarktsituatie in eenzelfde loondynamiek gedwongen worden. Meer mogelijkheden van concurrentie op de loonkost zou de Waalse arbeidsmarkt meer ademruimte geven. 

Zowel Vlaanderen als Wallonië laten vandaag een enorm economisch potentieel liggen door een slecht werkende arbeidsmarkt. De ambities voor een hogere werkzaamheidsgraad zijn veelbelovend, maar de eerste indicaties van de concrete maatregelen om dat waar te maken zijn dat veel minder. Het Waalse regeerakkoord is op dat vlak alvast ontgoochelend. Met de aangekondigde maatregelen is het hoogst onwaarschijnlijk dat Wallonië de doelstelling haalt. Hoe dan ook wordt het de komende jaren interessant om te zien welke regio op dat vlak echt vooruitgang maakt. Zonder verregaande arbeidsmarkthervormingen komt er sowieso niets van in huis.   
 

VZW - vGD
VZW - Actiris - Oktober2019
ING
SD Worx